NEN 1010, nieuw deel over energiebesparing


     
Toepassen van deze richtlijnen kan leiden tot een reductie van energiegebruik
 
In 2018 werd een aanvulling uitgegeven op NEN 1010, bepalingen voor laagspanningsinstallaties. Het nieuwe deel richt zich op energie-efficiency. Toepassen van deze richtlijnen kan leiden tot een reductie van energiegebruik.
 
De energiereductie kan worden gerealiseerd door:
  • Toepassen van energiemanagementsystemen
  • Verbeteringen in de processen
  • Bewuste opzet (vermazing) van de installatie
  • Bewuste keuze van aantal en plaats van invoedingspunten (verdeelinrichtingen)
  • Verbeteren van de arbeidsfactor
  • Verminderen van harmonische stromen in de installatie
  • Betere (over) dimensionering van de totale installatie
Deze energiebesparingsmaatregelen zullen effect hebben bij toepassing in  industriële installaties en grote utiliteitsgebouwen. Om een idee te krijgen van de omvang van de energiebesparing kan op de diverse gebieden een inschatting worden gemaakt van de mogelijke besparingen.
 
Toepassen van energiemanagementsystemen
De (energie)winst die te behalen valt met het monitoren en sturen van de energiestromen is moeilijk in te schatten. Veel zal afhangen van de processen die bemeten en gestuurd worden, de winst die te halen valt met bewustwording rondom dit thema en reeds genomen maatregelen. Een inschatting voor de mogelijke energiewinst is daarom niet in algemene termen uit te drukken.
 
Verbeteringen in de processen
Verbeteringen in de processen kunnen tot grote energiebesparingen leiden. Het vervangen van de oude verlichting door energiezuinige verlichting of het aandrijven van ventilatoren met frequentieregelaars zijn voorbeelden van proces verbeteringen. Hier valt de meeste winst te behalen.
 
Bewuste opzet (vermazing) van de installatie
Een goed doordachte opbouw van de installatie kan ook energiebesparing geven. Als in een ruimte de verlichting bij de ramen apart geschakeld kan worden is het mogelijk om deze met minder branduren te gebruiken vanwege het invallende buitenlicht. Een goed schakelplan is de basis voor een goede vermazing van de installatie.
 
Bewuste keuze van aantal en plaats van invoedingspunten (verdeelinrichtingen) Een juiste keuze van het aantal te gebruiken MS/LS-transformatoren en de beste locatie voor de plaatsing ervan kan mede met de keus voor de juiste structuur van de installatie een energiebesparing opleveren van 1-2%. Dit wordt later verder toegelicht.
 
Verbeteren van de arbeidsfactor
De verbetering van de arbeidsfactor zal het schijnbare vermogen verlagen en daardoor ook de stroom. Hierdoor worden de verliezen in een installatie verlaagd (kwadratische met de stroom voor leidingen). De geboekte winst is uiteraard afhankelijk van de bestaande arbeidsfactor. Gemiddeld zal ook bij dit aspect ca. 1% energiebesparing te realiseren zijn. Zie het vervolg van deze whitepaper.
 
Verminderen van harmonische stromen in de installatie
Harmonische stromen zorgen voor extra energieverliezen in alle componenten van een installatie. Het reduceren van harmonischen kan leiden tot energiebesparingen die kunnen variëren tussen de 1-2%. Ook dit onderwerp wordt in het vervolg verder toegelicht.
 
Betere (over)dimensionering van de totale installatie
Het over-dimensioneren van componenten in de installatie leidt tot minder weerstand en dus ook minder verliezen. Bij grote bedrijfstijden kan dit om economische redenen als interessant zijn. Een mogelijke energiebesparing kan hier ook in de orde grootte liggen van 1% van het totale energiegebruik. (Zie het vervolg van deze whitepaper.)
 
Een realistische inschatting van het totale effect van alle maatregelen op de energiebesparing zal naar alle waarschijnlijkheid liggen tussen 2-4% van het totale energiegebruik van een installatie. Dit zal uiteraard niet worden gehaald in installaties die al vele van de genoemde stappen hebben genomen om tot energiebesparing te komen. Bij bedrijven die wel al procesverbeteringen hebben toegepast, maar aan de genoemde maatregelen nog niet zijn toegekomen kan het een reële inschatting blijken te zijn. Een aantal van de genoemde maatregelen wordt in meer detail toegelicht.
 
Bewuste keuze van aantal en plaats van invoedingspunten (verdeelinrichtingen)
De eerste stap om te komen tot een installatie is de inventarisatie van belastingen en locaties waar de belastingen aanwezig zijn. Als deze belastingen bekend zijn kan worden gekeken of kan worden volstaan met een laagspanningsaansluiting (eventueel een eigen kabel uit een transformatorruimte) of een middenspanningsaansluiting. Bij grote vermogens en grote belastingen op diverse locaties kunnen meerdere transformatoren ook een optie zijn.
 
Als er meerdere transformatoren geplaatst worden zullen de verliezen in de kabel (lagere stromen op middenspanning) aanzienlijk kleiner zijn. Wel zullen er meer transformatoren zijn (dus wellicht ook meer nullastverliezen). Ook als er maar één invoedingspunt gekozen wordt moet kritisch naar de opstellingsplaats worden gekeken. In het algemeen kan natuurlijk worden gesteld dat de invoeding zo dicht mogelijk bij de belasting moet zitten.
 
Als een installatie wordt gevoed vanuit één transformator dan bepaalt de plaats van de transformator al deels de energieverliezen in de voedingsleidingen. In een installatie zullen verschillende belastingen aanwezig, geplaatst op diverse locaties. In figuur 1 is een voorbeeld gegeven van een productiehal met drie belastingen die op de aangegeven plekken geconcentreerd zijn. De hal is opgedeeld in vlakken van 5 bij 5 meter en de beste plek voor de voedende transformator kan nu worden berekend met de volgende formule:
 
Klik hier om het white paper op te vragen
 
 
 
 
 

 

 

 

Ga terug naar het nieuws overzicht
  • ABB
  • Attema
  • Nexans
  • Osram
  • Eaton
  • Soler & Palau
  • Sylvania
  • Lumiance
  • Wavin
  • JMV
  • Wiska
  • Norton
  • Peha
  • Philips